Tomar deel I: de achtergronden

In het hart van Portugal ligt een klein, historisch stadje met de naam Tomar. Een plaats die alleen bij de echte Portugal liefhebber bekend zal zijn, terwijl het eenzelfde populariteit verdiend als het Italiaanse Siena of het Spaanse Córdoba. Waarom Tomar hoog op jouw lijst van vakantiebestemmingen moet staan lees je deze week op portugal.blog. Vandaag deel I: de achtergronden

Tomar ligt in het midden van Portugal, niet ver van plaatsen als Abrantes, Leiria, Fátima of Batalha. Het is vooral bekend als Tempeliersstad, om het prachtige Convento do Cristo (deel III) en het Festa dos Tabuleiros (deel IV). Er wonen rond de vijftienduizend inwoners en het behoort tot de Ribatejo. Vandaag begin ik met iets te vertellen over de achtergronden van de stad. Wie waren de Tempeliers? Wat hadden de Portugese koningen te zoeken in Tomar en wie is Santa Iria?

De Tempeliers
Historici weten heel weinig over de Tempeliers. Waarschijnlijk was het een groep kruisvaarders in Frankrijk die aanleiding gaf tot het ontstaan van deze katholieke kloosterorde, die zich in de eerste plaats richtte op de Heilige oorlog tegen de Arabieren in het Heilige Land. Het ging dus om een zeer militair ingestelde ridderorde. De orde begon zeer arm, maar door de toetreding van edelen die hun gehele bezit moesten afstaan aan de orde groeiden ze uit tot een zeer rijke en machtige groep in Europa.

In Portugal waren de Tempeliers in ieder geval aan het begin van de twaalfde eeuw vertegenwoordigd. Ze hielpen Afonso Henriques in zijn strijd tegen de Moren. Dit leverde hen in 1160 het gebied rond Tomar op, waar de vierde Portugese Grootmeester, Gualdim Pais, de bouw van een kasteel en een klooster startte, die het hoofdkwartier van de Orde in Portugal werden. Het bestaan van de orde kwam tweehonderd jaar later in gevaar toen de Franse koning Filips de Schone alles in het werk stelde om van de Tempeliers af te komen. Hij wist paus Clemens V in 1307 zover te krijgen de machtige orde te verbieden.

Waar in heel Europa de Tempeliers werden opgesloten, vermoord en verdreven gebeurde er in Portugal iets anders. Koning Dinis verzon een nieuwe orde, de Ordem de Cristo (de Ridders van Christus), en verplaatste de Tempeliers en al hun bezittingen hier naar toe. Korte tijd verbleven ze in Castro Marim in de Algarve, maar in 1356 keerden ze terug naar Tomar. Tot 1834, toen alle kloosterordes werden verboden in Portugal, bleef Tomar het centrum van de Ordem de Cristo.

De Portugese koningen in Tomar
Vanaf de vijftiende eeuw werd de geestelijke Grootmeester van de Ordem de Cristo aangewezen door de paus en werd het lekenbestuur van de orde bepaald door de Portugese koning. Zo werd prins Hendrik de Zeevaarder het hoofd van de Ordem de Cristo, die de middelen van de orde gebruikte voor zijn ontdekkingsreizen. Het rode tempelierskruis prijkte op de zeilen van de schepen die de wereldzeeën bevoeren. De jodenvervolging in Spanje zorgde voor een grote toestroom van joden in Portugal en ook in Tomar. Hendrik de Zeevaarder gebruikte ook hun rijkdom om zijn ontdekkingsreizen te financieren en bedankte de joden met de bouw van een synagoge in Tomar.

Koning Afonso V volgde prins Hendrik de Zeevaarder in 1460 op als leider van de orde. Vanaf dat moment was het altijd de Portugese koning die aan het hoofd stond. Dit zorgde ervoor dat de Portugese monarchen zich met regelmaat ophielden in Tomar. Zij lieten vertrekken voor zichzelf aan het klooster bouwen, zoals prins Hendrik de Zeevaarder deed en koning João III. De koningen bemoeiden zich ook met de stedelijke architectuur. Zo liet prins Hendrik een wijk voor de joden bouwen en verordende Koning Manuel in de zestiende eeuw dat de bevolking binnen de muren verplaatst werd naar het lager gelegen dorp aan de rivier de Nabão. Hoe belangrijk Tomar niet alleen economisch, maar ook politiek was, blijkt uit de Cortes die in het Convento de Cristo gehouden werden in 1581 door koning Filips I (de Spaanse Filips II).

De economie
De aanwezigheid van de Tempeliers bracht een grote rijkdom met zich mee in Tomar. Dat daar later vele Joden aan werden toegevoegd droeg alleen maar bij aan de welvaart van de stad. De bloei van Tomar kwam enigszins tot stilstand toen de Inquisitie een zetel vestigde in de stad. Joden die zich weigerden te bekeren tot het Christendom waren genoodzaakt te vluchten naar Nederland, het Ottomaanse Rijk of Engeland. De uittocht van de Joden had grote negatieve gevolgen voor Tomar´s economische toestand.

In de achttiende eeuw werd Tomar een belangrijke industriële stad. De rivier Nabão maakte het mogelijk met hydraulische mechanismen een variëteit aan industrie op te bouwen. Papier, glas, zeep en vooral ook textiel werden vervaardigd in Tomar. Nog altijd is de papierindustrie van de stad belangrijk, maar inmiddels is het toerisme de belangrijkste economische activiteit van Tomar. Daar de stad in één van de vruchtbaarste gebieden van het Iberisch Schiereiland ligt, zijn ook fruit, olie en wijn een belangrijke inkomstenbron.

Santa Iria
De beschermheilige van Tomar heet Santa Iria. Deze heilige komt voort uit een legende uit de tijd van de Visigoten, zo rond 635 n Chr. Het verhaal gaat als volgt: Iria, of Irene, werd geboren in een rijke familie in Nabância (de toenmalige naam van Tomar) en was ongekend mooi en intelligent. Haar ouders stuurden haar naar de meisjesschool in het klooster van de benedictinessen waar ze al spoedig zeer geliefd was. Haar schoonheid zorgde ervoor dat ze vele aanbidders had, waaronder Britaldo, maar ze wees hem af met de boodschap dat haar leven uitsluitend gericht was op God.

Een hooggeplaatste monnik met de naam Remígio had ook zijn oog op Iria laten vallen. Gefrustreerd door de aandacht die Iria kreeg van Britaldo en zijn eigen onvermogen haar te bezitten, liet Remígio het meisje een betoverde kruidendrank drinken die haar lichaam zo deed veranderen dat het leek of ze zwanger was. Ze werd verstoten uit het klooster en ze vluchtte naar de rivier om te bidden. Britaldo had inmiddels de geruchten gehoord dat zijn geliefde Iria zwanger was en woedend stuurde hij een dienstknecht achter haar aan om haar te vermoorden. De dienstknecht Banãao vond het meisje bij de rivier, vermoordde haar en gooide haar in het water.

Iria´s lichaam werd meegevoerd door de Nabão en kwam terecht in de Taag waarna ze uiteindelijk aanspoelde in Scalabis. Op de plek waar ze aanspoelde ontstond spontaan en op miraculeuze wijze een prachtig marmeren graf. De bevolking van Scalabis was diep onder de indruk van het wonder en veranderde de naam van de stad in Santa Iria, later verbasterd tot Santarém.

Nu de achtergronden bekend zijn is het tijd om de stad van nu te gaan ontdekking. Daarom morgen deel II: een stadswandeling.

Lees ook:Tomar deel II: een stadswandeling
Lees ook:Tomar deel III: het Convento de Cristo
Lees ook:Portugese koningen deel VI: O Lavrador
Lees ook:Portugese koningen deel XI: O Eloquente
Lees ook:Portugese koningen deel V: O Bolonhês

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.