Poëzie: Sophia de Mello Breyner Andresen

De Portugese dichteres Sophia de Mello Breyner Andresen is één van de belangrijkste poëten uit de Portugese geschiedenis. Ze overleed nog maar zes jaar geleden, op 84-jarige leeftijd, een schat van gedichten achterlatend, waar we in Nederland helaas weinig tot niets van kennen.

De naam Sophia de Mello Breyner Andresen klinkt al bijna als een gedicht op zich. De Scandinavische invloed in de naam is afkomstig van haar opa aan vaders kant. Hij vertrok op een dag vanuit Denemarken naar Porto en keerde nooit meer terug. Sophia groeide op onder de traditionele aristocratie van Porto. Tijdens haar studie in Lissabon ontwikkelde ze een liberale politieke voorkeur, waarbij ze koos voor de monarchisten en zich afzette tegen het regime van Salazar. Ze trouwde met Francisco Sousa Tavares en kreeg vijf kinderen. De bekendste daarvan is Miguel Sousa Tavares, schrijver en journalist.

Sophia de Mello Breyner Andresen schreef talloze werken in haar leven: kinderverhalen, essays, theaterstukken en vooral veel poëzie. Steeds terugkerende thema´s in haar werk zijn onder andere de natuur, de zee, het huis, de stad en de tijd. Op de muren van het Oceanário in Lissabon staan verschillende verzen afgedrukt die zij schreef rond het thema van de zee. In 1999 won ze als eerste vrouw de belangrijke literatuurprijs Premio Camões en ook in het buitenland werd haar werk verschillende malen bekroond.

Ik heb gezocht naar Nederlandse vertalingen van haar werk, maar kon niets concreets vinden. Er zou ooit een boekje zijn verschenen in België dat Zeereizen heet, een vertaling van het oorspronkelijke Navegações. De uitgever was de Leuvense Schrijversaktie en het ISBN 9071345718, maar geen idee of het nog ergens verkocht wordt. Wie het ergens kan vinden mag het zeggen! Ik kwam op internet wel enkele vertaalde gedichten tegen (niet de meest vrolijke overigens):

Als ik dood zal zijn zal ik terugkeren om
de ogenblikken te halen die mij ontglipten, kort bij de zee

(Quando eu morrer voltarei para buscar
Os intantes que não vivi junto do mar)

————————————————

Het kleine plein

Mijn leven was het kleine plein geworden
In die herfst, toen de dood jou met zorg voorbereidde
Ik klampte mij vast aan het plein, omdat jij hield
Van de kleine nostalgische menselijkheid van de winkeltjes
Waar de winkeliers linnen banen en doeken op- en uitrolden
Ik probeerde jou te zijn, omdat jij zou gaan sterven
En zo werd het leven daar niet meer van mijzelf
Ik probeerde te glimlachen zoals jij had geglimlacht
Tegen de krantenman en de tabaksverkoper
En tegen de vrouw zonder benen die viooltjes verkocht
Ik vroeg de vrouw zonder benen om voor jou te bidden
Op alle altaren in de kerken op de hoek van dat plein brandde ik kaarsen
En als ik dan mijn ogen opendeed las ik, gegrift op je gezicht, de roep der eeuwigheid
Ik smeekte de straten, de plekken, de mensen
Die getuige waren geweest van jouw gezicht
Om je naam te roepen en zo het web te breken
Waarmee de dood je aan het omwikkelen was.

A pequena praça

A minha vida tinha tomado a forma da pequena praça
Naquele outono em que a tua morte se organizava meticulosamente
Eu agarrava-me à praça porque tu amavas
A humanidade humilde e nostálgica das pequenas lojas
Onde os caixeiros dobram e desdobram fitas e fazendas
Eu procurava tornar-me tu porque tu ias morrer
E a vida toda deixava ali de ser a minha
Eu procurava sorrir como tu sorrias
Ao vendedor de jornais ao vendedor de tabaco
E à mulher sem pernas que vendia violetas
Eu pedia à mulher sem pernas que rezasse por ti
Eu acendia velas em todos os altares
Das igrejas que ficam no canto desta praça
Pois mal abri os olhos e vi foi para ler
A vocaçãdo eterno escrita no teu rosto
Eu convocava as ruas os lugares as gentes
Que foram as testemunhas do teu rosto
Para que eles te chamassem para que eles desfizessem
O tecido que a morte entrelaçava em ti.

————————————–

Het Paradijs

Een etnoloog zegt hen te hebben ontdekt
Na een lange zoektocht, tussen wouden en rivieren
Een ronddolende indianenstam
Uitgeput, afgemat, halfdood
Want ze waren al jarenlang op pad geweest
Doorkruisten bossen, woestijnen en boerenvelden
Klommen bergen en heuvels op en af
Doorwaadden rivier na rivier
Op zoek naar het Paradijs
En, net zoals de revolutionairen van mijn eigen tijd:
niets hebben ze gevonden.

O Pais sem Mal

Um etnólogo diz ter encontrado
Entre selvas e rios depois de longa busca
Uma tribo de índios errantes
Exaustos exauridos semi-mortos
Pois tinham partido desde há longos anos
Percorrendo florestas desertos e campinas
Subindo e descendo montanhas e colinas.
Atravessando rios
Em busca do país sem mal
Como os revolucionários do meu tempo
Nada tinham encontrado

(Vertaald uit het Portugees door Jef van Egmond)
voor De Contrabas

Lees ook:Boektip: Evenaar
Lees ook:Bijdrage Portugal Expo 2010 draait om thema “plein”
Lees ook:Portugal in hoofdrol op vakantiebeurs
Lees ook:Weer meisje verdwenen in de Algarve
Lees ook:Tienermoeder doodgeslagen in leegstaand gebouw

Eén reactie op “Poëzie: Sophia de Mello Breyner Andresen

  1. Maaike

    nog eentje met vertaling en ISBN:

    Winterpoëzie/Poesia de inverno

    I
    Winterpoëzie: poëzie van de tijd zonder goden
    Kieskeurige
    Keuze uit de resten

    Pöezie van de beschroomde woorden
    Poëzie van de gewetensnood van woorden

    Poëzie van de berouwvolle woorden
    Wie zou durven zeggen:

    Zijde paarlemoer roos

    Abstracte en ontbladerde boom
    In de winter van ons ongeloof

    I
    Poesia de inverno: poesia do tempo sem deuses
    Escolha
    Cuidadosa entre restos

    Poesia das palavras envergonhadas
    Poesia dos problemas de consciência das palavras

    Poesia das palavras arrependidas
    Quem ousaria dizer:

    Seda nácar rosa

    Árvore abstracta e desfolhada
    No inverno de nossa descrença

    II
    Aseptische pincetten
    Zetten het woord-ding
    Op de regel op papier
    Op de plank in de bibliotheek

    II
    Pinças assépticas
    Colocam a palavra-coisa
    Na linha do papel
    Na prateleira das bibliotecas

    III
    Wie zou durven zeggen:

    Zijde paarlemoer roos

    Want niemand heeft eigenhandig de zijde geweven – in lange
    dagen op lange klossen en met fijne zijdezachte handen

    En niemand heeft aan de oever van de ochtend de roos geplukt – licht en
    zwaar mes van zachtheid

    Want de rivier is niet meer heilig en is daarom niet eens rivier

    En het al komt niet voort uit de handen van een god het gebaar en de
    ademtocht van een god de vreugde en de heftigheid van een god

    En de mens die denkt ter zijde van het lot probeert verblijfsverlof te krijgen
    in de voorlopige kazerne van de overlevenden

    III
    Quem ousaria dizer:

    Seda nácar rosa

    Porque ninguém teceu com suas mãos a seda – em longos
    dias em compridos fusos e com finos e sedosos dedos

    E ninguém colheu na margem da manhã a rosa – leve e pesada
    faca de doçura

    Pois o rio já não é sagrado e por isso nem sequer é rio

    E o universo não brota das mãos de um deus do gesto e do
    sopro de um deus da alegria e da veemência de um deus

    E o homem pensando à margem do destino procura arranjar
    licença de residência na caserna provisória dos sobreviventes.

    IV
    Mijn hart zoekt de woorden van de zomerwarmte
    Zoekt de beloofde zomerwarmte van de woorden

    IV
    Meu coração busca as palavras do estio
    Busca o estio prometido nas palavras

    -Sophia de Mello Breyner Andresen-

    Bron: Hoor de kleine kreet… Hedendaagse Portugese poëzie, vertaling: August Willemsen, Uitgeverij POINT vzw, 1991, ISBN 90-71152-28-6

    Nog een lieve groet…

      /   Beantwoorden  / 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.