Slakropjes, penseters en boeren

-- Saloios --

Net als mensen uit Den Haag “windhappers” heten en mensen uit Schiedam “jeneverneuzen”, zo hebben ook inwoners van Portugese steden hun interessante bijnamen. Het zijn bijnamen die over het algemeen in de vroege historie van het land zijn gevormd en de precieze oorsprong is vaak onbekend. Maak kennis met de slakropjes, penseters en boeren…

De inwoners van Lissabon hebben als bijnaam alfacinhas, vertaald zoiets als de slakropjes. Het woord alface (sla) is één van de vele woorden uit het Portugees die zijn afgeleid van het Arabisch (Al-Hassa). Er wordt aangenomen dat het de Moren waren die deze groente naar het Iberisch Schiereiland brachten en de heuvels rond Lissabon vol plantten. Mogelijk kregen de lisboetas de naam alfacinhas, omdat zij tijdens de langdurige belegeringen op de stad in de strijd tussen Moren en Christenen, niets anders te eten hadden dan sla. De eerste historische bron die de inwoners van Lissabon deze bijnaam geeft is het boek “Viagens na Minha Terra” van Almeida Garrett (1846).

In het gebied rond de steden Mafra, Loures en Sintra worden de inwoners saloios genoemd, wat zoiets betekent als boeren. Deze term is eveneens afkomstig uit de tijd dat Moren en Christenen met elkaar in strijd waren om de stad Lissabon. Het verhaal is dat toen Afonso Henriques (eerste koning van Portugal) Lissabon had veroverd op de Moren er vele christenen in de stad kwamen wonen, waardoor er voor de Moren geen plek meer was. Ze werden de stad uitgezet om in het heuvelachtige achterland ten noorden van de stad te gaan wonen. Ze bebouwden daar het land en kwamen hun produkten verkopen in de stad. Ze kregen van de christenen de naam saloios, wat mogelijk afgeleid werd van het arabische word çahrauii: volk dat uit de woestijn (de Sahara) komt. In een document uit 1170 spreekt Afonso Henriques over de speciale rechten van deze sallayos. Dit woord sallayos werd later veranderd in saloios.

In Porto wonen de tripeiros, wat in het Nederlands vertaald wordt naar penseters (hoewel tripas niet persé pens is, dus ik ben niet helemaal gelukkig met deze vertaling). Dit klinkt niet echt als een compliment, maar is toch zeker wel positief bedoeld. Voor deze bijnaam moeten we terug naar de vijftiende eeuw, toen koning João I regeerde over Portugal en de eerste voorbereidingen trof voor de grote Ontdekkingsreizen. Om de havenstad Ceuta in Noord-Afrika te kunnen veroveren werd een nieuw vloot gebouwd in Porto. De legende beweert dat Hendrik de Zeevaarder naar Porto ging om de arbeiders van de scheepswerf te vragen hun hele ziel en zaligheid in de bouw van de vloot te leggen, gezien het grote belang van de missie. Toen de inwoners van Porto hoorden wat de plannen van het koningshuis waren besloten zij zich te onthouden van het eten van vlees, zodat er extra veel te eten zou zijn voor de bemanning van de vloot. Zelf aten ze alleen de  tripas, oftewel de eetbare ingewanden die overbleven. Om deze reden kregen ze de bijnaam tripeiros, wat volgens Hendrik de Zeevaarder een grote eer was, want zo hadden zij bijgedragen aan de successen van de Portugese vloot. Nog altijd zijn de “Tripas à moda do Porto” een veel gezien gerecht op de menukaarten in het noorden van Portugal.

Lees ook:Wonderen van Sintra: Feira de São Pedro
Lees ook:Portugese koningen deel II: O Povoador
Lees ook:Middeleeuwse feesten
Lees ook:Portugese koningen deel I: O Conquistador
Lees ook:Middeleeuwse feesten in Silves

0 reacties op “Slakropjes, penseters en boeren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naam

Website

Het kan vijf minuten duren voordat nieuwe reacties zichtbaar zijn.